Een 3/2-ventiel heeft drie aansluitingen en twee standen: het belucht of ontlucht één werkpoort en stuurt zo een enkelwerkende cilinder of een luchttoevoer. Een 5/2-ventiel heeft vijf aansluitingen en twee standen: het stuurt twee werkpoorten tegelijk en duwt een dubbelwerkende cilinder in beide richtingen. NC/NO en monostabiel/bistabiel bepalen wat het ventiel doet zonder signaal.
In deze gids leest u wat de cijfers op een ventiel betekenen, hoe een 5/3-ventiel met middenstand werkt en welke keuze u maakt voor het gedrag bij spannings- of luchtuitval. Zoekt u eerder hulp bij spoelspanning, aansluitmaat en debiet, lees dan onze gids magneetventiel kiezen. Hier gaat het puur over de functie: wat het ventiel schakelt en in welke volgorde.
Wat betekenen de cijfers 3/2 en 5/2?
De notatie bestaat altijd uit twee getallen. Het eerste cijfer is het aantal aansluitingen (poorten) voor perslucht: toevoer, werkpoorten en ontluchting. Stuuraansluitingen tellen niet mee. Het tweede cijfer is het aantal schakelstanden dat het ventiel kan innemen.
- 2/2: twee poorten, twee standen. Een eenvoudig open/dicht-ventiel, zonder ontluchting.
- 3/2: drie poorten (toevoer, één werkpoort, ontluchting), twee standen.
- 5/2: vijf poorten (toevoer, twee werkpoorten, twee ontluchtingen), twee standen.
- 5/3: vijf poorten en drie standen, waarvan de derde een middenstand is.
In een pneumatisch schema ziet u dat terug als een reeks vakjes: elk vakje is een stand, en in elk vakje tonen pijlen en afsluitstreepjes welke poorten met elkaar verbonden zijn.
Het 3/2-ventiel: één werkpoort, één kamer
Een 3/2-ventiel verbindt de werkpoort (2) in de ene stand met de toevoer (1) en in de andere stand met de ontluchting (3). Er is dus maar één werkpoort, en daarmee kunt u maar één kamer van een cilinder of één leiding beluchten en weer ontluchten. Precies die ontluchting is het verschil met een 2/2-ventiel: als het 3/2-ventiel terugschakelt, kan de lucht achter de werkpoort weg via poort 3.
Toepassing: enkelwerkende cilinder, lucht aan/uit, stuursignaal
- Enkelwerkende cilinder: het ventiel belucht de kamer, de zuiger gaat uit; schakelt het terug, dan ontlucht de kamer en duwt de veer in de cilinder de zuiger terug.
- Luchttoevoer aan/uit: een machine of een deel van het persluchtnet beluchten en bij het afschakelen drukloos maken.
- Stuursignaal: een klein 3/2-ventiel levert het pneumatische signaal dat een groter, pneumatisch gestuurd ventiel omschakelt.
- Blaaslucht en vacuümtoepassingen waar één luchtweg geschakeld moet worden.
Het 5/2-ventiel: twee werkpoorten voor een dubbelwerkende cilinder
Een dubbelwerkende cilinder heeft twee kamers, en die moeten altijd tegengesteld werken: de ene wordt belucht terwijl de andere ontlucht. Een 5/2-ventiel doet dat in één behuizing. In de ene stand is de toevoer (1) verbonden met werkpoort 2 en ontlucht werkpoort 4 via poort 5; in de andere stand gaat de toevoer naar werkpoort 4 en ontlucht werkpoort 2 via poort 3. Omdat elke werkpoort een eigen ontluchting heeft, kunt u op poort 3 en 5 afzonderlijk een smoorventiel of geluiddemper plaatsen.
Dat maakt het 5/2-ventiel de standaardkeuze voor dubbelwerkende cilinders, grijpers en draaiaandrijvingen. In een installatie met veel functies worden die ventielen vaak samen op een ventieleiland gemonteerd, met één gedeelde luchttoevoer en ontluchting.
| Kenmerk | 3/2-ventiel | 5/2-ventiel | 5/3-ventiel |
|---|---|---|---|
| Poorten | 3 (1, 2, 3) | 5 (1, 2, 3, 4, 5) | 5 (1, 2, 3, 4, 5) |
| Standen | 2 | 2 | 3 |
| Werkpoorten | 1 | 2 | 2 |
| Typische aandrijving | Enkelwerkende cilinder, lucht aan/uit, stuursignaal | Dubbelwerkende cilinder, grijper, draaiaandrijving | Dubbelwerkende cilinder die moet kunnen stoppen of vrijgegeven worden |
| Gedrag zonder signaal | NC of NO, bepaald door de ruststand | Monostabiel: ruststand · bistabiel: laatste stand | Middenstand (gesloten, belucht of ontlucht) |
5/3-ventiel: de middenstand (gesloten, belucht, ontlucht)
Een 5/3-ventiel heeft dezelfde twee buitenstanden als een 5/2-ventiel, plus een derde stand in het midden. Het ventiel wordt meestal met twee spoelen bediend en door veren naar die middenstand teruggeduwd zodra geen van beide spoelen bekrachtigd is. De uitvoering van de middenstand bepaalt wat de cilinder dan doet:
- Gesloten middenstand: alle poorten zijn dicht. De lucht blijft in beide kamers opgesloten en de cilinder stopt waar hij is. Door kleine lekken kan hij na verloop van tijd toch verschuiven, dus het is geen mechanische vergrendeling.
- Beluchte middenstand: de toevoer staat op beide werkpoorten. Beide kamers staan onder druk; door het verschil in zuigeroppervlak aan de stangzijde schuift een gewone cilinder dan langzaam uit tenzij iets hem tegenhoudt.
- Ontluchte middenstand: beide werkpoorten staan open naar de ontluchting. De cilinder is drukloos en kan met de hand bewogen worden, bijvoorbeeld om een werkstuk vrij te maken.
NC of NO: wat gebeurt er zonder spanning?
Bij 3/2- en 2/2-ventielen beschrijft NC of NO de ruststand, dus de stand zonder stuursignaal:
- NC (normally closed, normaal gesloten): zonder signaal is de toevoer (1) afgesloten en staat de werkpoort (2) op de ontluchting. Pas met spanning stroomt er lucht. Dit is de gebruikelijke keuze als de aandrijving bij uitval drukloos moet worden.
- NO (normally open, normaal open): zonder signaal stroomt de lucht van 1 naar 2. Met spanning sluit het ventiel af en ontlucht de werkpoort. U kiest dit als de lucht juist moet blijven staan wanneer de besturing wegvalt, bijvoorbeeld een klem die vast moet blijven.
Bij een 5/2-ventiel spreekt men minder van NC of NO, omdat er in elke stand één werkpoort belucht is. Daar zegt de ruststand vooral welke kant de cilinder op gaat zonder signaal: in of uit.
Monostabiel of bistabiel: veer terug of stand onthouden?
Een monostabiel ventiel heeft één spoel (of één stuuraansluiting) en een terugstelling met een mechanische of pneumatische veer. Zolang het signaal er is, staat het in de geschakelde stand; valt het signaal weg, dan keert het terug naar de ruststand. De besturing moet het signaal dus vasthouden zolang de cilinder uit moet blijven.
Een bistabiel ventiel heeft twee spoelen (of twee stuuraansluitingen, 12 en 14) en geen veer. Een korte puls op de ene kant zet het om, een puls op de andere kant zet het terug. Zonder signaal blijft het staan in de laatste stand. Dat heet ook wel een geheugenventiel. Het is handig als de besturing met korte pulsen werkt, of als de cilinder zijn positie moet houden wanneer het signaal wegvalt.
Wat gebeurt er bij spannings- of luchtuitval?
Dit is de vraag die de keuze in de praktijk beslist, en ze hoort thuis in de risicoanalyse van de machine:
- Monostabiel bij spanningsuitval: het ventiel valt terug naar de ruststand en de cilinder beweegt naar de bijbehorende positie zolang er lucht is. Voorspelbaar, maar er is een beweging op het moment van uitval.
- Bistabiel bij spanningsuitval: het ventiel blijft in de laatste stand en de cilinder blijft waar hij was. Geen onverwachte beweging bij uitval, maar bij herstart kan de cilinder in een stand staan die de besturing niet verwacht.
- 5/3 met middenstand: beide spoelen vallen af en het ventiel gaat naar de middenstand: stoppen (gesloten), drukloos maken (ontlucht) of onder druk houden (belucht).
- Bij luchtuitval verliest elke pneumatische aandrijving haar kracht. Een voorgestuurd ventiel heeft bovendien een minimale stuurdruk nodig om te schakelen; die waarde staat op het productblad.
Twijfelt u, leg dan per beweging vast wat er bij uitval moet gebeuren en kies het ventiel daarop. Niet omgekeerd.
Poortnummers 1-2-3-4-5-12-14 lezen
Op het ventiel en in het schema staan cijfers in plaats van woorden. De gangbare nummering:
- 1 = toevoer van perslucht.
- 2 en 4 = werkpoorten naar de cilinder of het verbruikspunt.
- 3 en 5 = ontluchtingen (bij een 3/2-ventiel alleen 3).
- 12 en 14 = stuursignalen. Het getal vertelt welke verbinding het signaal maakt: 14 verbindt 1 met 4, 12 verbindt 1 met 2.
Wie die logica kent, leest een ventielsymbool in een paar seconden. Meer uitleg over vakjes, pijlen, veren en spoelen in een schema vindt u in de gids pneumatiek symbolen lezen.
Magneetventielen in de webshop
Weet u welke functie u nodig heeft, dan vindt u bij de magneetventielen 3/2 en 5/2 de elektrisch bediende uitvoeringen. Wordt het ventiel met de hand of de voet bediend, bijvoorbeeld bij een eenvoudige opspanning of een testopstelling, kijk dan bij de handbediende ventielen. Controleer per product op het productblad de functie, de bediening en de terugstelling, de aansluitmaat en de spoelspanning.
U vindt deze Metal Work-onderdelen in de webshop van erkend Metal Work-verdeler IMTA. Hebt u een vraag over welke functie bij uw cilinder of installatie past, bel dan +32 493 34 13 28 of stuur ons een bericht.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen een 3/2- en een 5/2-ventiel?
Een 3/2-ventiel heeft drie poorten en twee standen en belucht of ontlucht één werkpoort, bijvoorbeeld voor een enkelwerkende cilinder. Een 5/2-ventiel heeft vijf poorten en twee standen en stuurt twee werkpoorten tegengesteld, zodat een dubbelwerkende cilinder in beide richtingen met lucht beweegt.
Kan ik een dubbelwerkende cilinder met een 3/2-ventiel sturen?
Met één 3/2-ventiel niet volledig, want dat heeft maar één werkpoort. Met twee 3/2-ventielen, één per cilinderkamer, kan het wel. Meestal is één 5/2- of 5/3-ventiel eenvoudiger, omdat het beide kamers in één behuizing tegengesteld schakelt.
Wat betekent NC en NO bij een magneetventiel?
NC (normally closed) betekent dat het ventiel zonder spanning gesloten is: er stroomt pas lucht als de spoel bekrachtigd wordt. NO (normally open) betekent dat de lucht zonder spanning doorstroomt en dat het ventiel sluit zodra de spoel bekrachtigd wordt.
Wanneer kies ik een bistabiel ventiel?
Kies een bistabiel ventiel als de besturing met korte pulsen werkt of als de cilinder zijn positie moet houden wanneer het stuursignaal wegvalt. Het ventiel blijft in zijn laatste stand tot het een signaal op de andere kant krijgt. Leg in de risicoanalyse vast of dat gedrag bij uitval gewenst is.
Wat doet de middenstand van een 5/3-ventiel?
De middenstand bepaalt wat de cilinder doet als geen van beide spoelen bekrachtigd is. Bij een gesloten middenstand stopt de cilinder met opgesloten lucht, bij een beluchte middenstand staan beide kamers onder druk, en bij een ontluchte middenstand is de cilinder drukloos en vrij te bewegen.